en de wind blaast een onbestemd lied
en de regen tikt een verboden boek over de daken uit
“God neemt foto’s,” zei moeder als het bliksemde
ik ben maar een eenvoudige Fries
niet geschikt voor werk op kantoor
onhandig met hoofd
en handen
dus rommel ik wat met gedichten
soms strompel ik,
met mijn krantenkop vol fronsen, nee,
mijn donderkop vol vonken!
naar het raam
en struikel bijna
over het kleinste straaltje zomer
dan, achter in de kamer
hoor ik een vertrouwde stem, van “kijk,
die tuimelende wolken, wat een mooie lucht!”
Vertaling: Jantsje Post