Het vertrek*

I.M. Hessel Miedema (1929-2019)

 

Vroegtijdig al begrepen het vertrek de haven uit,
het Fries allang geen taal meer maar slechts dialect,

deze avond, lente, maar leeg het licht over lege steden.
Zie de zon in zee en het afgehakte hoofd

van de Doper decrescendo jij. Onder zeevogels,
scherend over de reling, smijt een rusteloos heen en weer

ijsberende mijnheer in een lang telefoongesprek
een liefde en een land overboord. – Noem mij niet meer!

Nee, nee, nooit ver het dodenrijk. Dig it, fuck it, neem het

Keer niet terug naar oude plaatsen! Tijd, een verbrijzelen,
een langzaam in elkaar stortende kathedraal.

’s Nachts dan de spoken. En later alle verdronkenen,
ook de Phoeniciër zoals dit alfabet.

Vroegtijdig al begrepen het vertrek de haven uit,
het Fries allang geen taal meer maar slechts dialect.

 

* Hessel Miedema, ‘Brief’, Quatrebras, “en dat het Fries (…) meer een dialect dan een taal is

 

 

Halverwege april overleed Hessel Miedema, schrijver, dichter, kunsthistoricus en in het verleden conservator van Keramiekmuseum Princessehof. Miedema is de ‘vader’ van de naoorlogse poëzie in Friesland. Een gedicht als ‘stadich brekke de foarmen út ’e skyl’ (langzaam breken de vormen uit de schil) vormt een hoogtepunt in de Friese literatuur. In 1964 zette hij echter radicaal een punt achter zijn schrijfcarrière in het Fries. Hij verhuisde naar Amsterdam waar hij als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde op het werk van de 16e-eeuwse schrijver en schilder Carel van Mander. Aan Friesland had hij geen boodschap meer. Volgens hem was de Friese literatuur een regionale en provincialistische aangelegenheid. Over het Fries als taal zei hij, dat ‘het Fries meer een dialect is dan een taal.’ Het werd hem niet in dank afgenomen. De dialectisering van het Fries is ondertussen een meer dan actueel thema. Miedema sloot zijn laatste, in het Nederlands geschreven brief met het verzoek: ‘Noem mij niet meer.’ Het zou echter een goede zaak zijn de dichter, die tijdens zijn leven zeker de Gysbert Japicxpriis zou hebben verdiend, alsnog te eren met een bundel opstellen en essays over zijn kleine, maar belangrijke en invloedrijke oeuvre