De handen de doeken

Bij het afscheid van de Bolswarder huisdokter Pepy Huisman

 

’t Is een lange zomeravond, stil en zoel,
een man staat in de deur van leven en dood,
luisterend naar een schreeuwen, ergens
in de straten en stegen achter het stadhuis,
kijkt naar zijn handen, denkend aan
de zee en de ontzegeling van lippen en vlees
toen een leven te voorschijn sprong,
de kreet van ‘n doffer onder de zon,
boven de Broerekerk, ‘n zomeravond,

het zwerk kopergroen als de doeken
van bonmama en grootpapa,
elk aan een kant van de schoorsteenmantel,
kijk, hoe de hand van een vader
zijn eigenste oorsprong het gezicht van
een zomer schonk, elk rimpeltje ragfijn
neergezet tot op tijd’s laatste spinsel,
het onvergankelijke uur.

Over de Appelmarkt rijdt de dame
van een mooie dag in de herfst,
groet in de deur van leven en dood de man
die, een spiegeloog voor zijn borst,
onder de huid van tijd en schemering zag
hoe een vader met het penseel als
pincet een teveel aan olieverf uit de zware
winterjas van Euzie pulkte,
de zwerver die slapend in zijn voddenkar
de schilder zijn hart en liefde had;

en zo ook proeft, in de deur van leven en dood,
de metselaar van het menselijke lichaam
de wonden en ’t wonderlijke van het bestaan,
ai, hoe bij alle anatomische lessen
scalpel, schaar en pincet het vlees beroerden,
een lichaam dat zich in het uur van
een oude buikloop liet horen als een klein rochelorkest,
met de weerklank van niets en niemand,
de snel verglijdende dag.

Wolken schuiven als oliekoeken langs de hemel,
drijven over ’t Bolwerk naar het Geitenhok,
dat, genoeglijk als een kroeg, zijn gasten inhaalt;
de bovenarmen bloot vliegen – prik –
de naalden vrolijk het vlees in,
butler Broer tikt zwijgend tegen zijn hoed,
schenkt met de man in de deur van leven en dood
een kruidenbitter als godendrank,
de wonderlijk gretige dag.

 

 

Vertaling: Elske Schotanus