Winter

Nauwelijks een vliesje ijs in de vaart of
onder de wolfsmaan van de nacht,
glijden, zwammend en zwetsend,
aan winter’s stamtafels de woorden

over de ijsvlakten van de zwarte meren,
man, de een nog sneller dan de ander
in een oude poging om de verraderlijke
vogelknip van tijd voor te blijven.

*

Denkend aan mijn ouders en Auden, met
snow blizzards in de stegen van New York
en schimmen, hinnikend en al dwalend
rond de berijpte akkers boven Burgwerd,

zit ik in een café bij de Potmarge en
volg, aangeschoten, de vlokkende
vensters die als ogen uit een wit en blind
Niemandsland mij staan op te nemen.

*

Er was een vuur dat een vader van de schaatsen
sloeg, toen hij, sneller dan het licht onder
Woudsend (we zeiden nog tegen elkaar:
‘Hee jij, even kollum en burdaard, nu.’)

een wak in vloog en ergens boven Sloten
met dezelfde rotvaart, galopperend haast,
weer voor het licht schoot, o, vertel mij wat,
vertel mij wat, vadertje, vadertje, duistere nacht.

*

Wat is wit meer dan blind, zegt het meisje
dat met de ezel op de rug de ruimte achter
de dijk niet anders wil schilderen dan de tijd
die sneeuw is, want wij, een verdwijnen, wij,

een kleine, onder het ijs verglijdende nacht-
muziek, zoals de taal tot verstomming komt,
langzaam in dat wat zich niet laat uitspreken,
zeg, het gezicht van sneeuw achter de dijk.

*

Waar winter zich een wak in rijdt terwijl
het licht, vorstin af, smerig en goor
over de natte kaden van de Emma strijkt,
daar houd ik stil bij een kat die, halfdood,

op de klinkers in de Gijsbert ligt en
denk – for nothing now can ever come to
any good? – aan de toekomst van mijn taal,
mijn Fries in winter’s duistere vogelknip.

 

 

Vertaling: Elske Schotanus