Wat waar is dat werkt

Bij het afscheid van burgemeester
Ferdinandus Johannes Maria (Ferd) Crone

 

Wie was zo gek en neemt
Als bestuurder plaats –
Op het toppunt van een crisis –
Aan het roer van een stad,
Gekweld en gesard door
Een teveel aan dope,
Misdaad en werkloosheid?
Wie was zo gek en
Steekt de draak met het oude
Galgenlapperswoord:
Ut is nix, wurdt nix en
Ut sal nooit wat wurde oek?

Hij kwam van over de Dijk,
Kon sneller rekenen
En dan cijferen dan ooit God
Tellen kon. Hij, verre
Zoon van Troelstra en
Vondeling, hij babbelde
Los wat vast zat en zette
Naar oude pragmatische
Wetten – wat waar is, dat
Werkt – vol toewijding
Een provinciestad
Royaal op de wereldkaart.

Broer van Eberhard en
Cohen fietst vadertje Ferd,
Wiens telefoon hem zowat
Aan het oor lijkt geplakt,
Met het woord van Mak
Op zak de Emma uit,
Spint en spant, bereikbaar
En beschikbaar voor Jan
En Alleman, zijn netten
Heel de wereld over,
Noemt Mata Hari’s stadje
Zijn klein, klein Amsterdam.

Nee, zijn woord is niet wild
Of woest als dat van
Jan Slauerhoff, zoals hij ook
Een andere ziel heeft dan die
Van de almaar verliefde
Scheepsarts, want vraag je
Hem: Heer Ferdinand,
Wie is de mooiste vrouw
Op aard’ – nee, uw eigen
Vrouw telt niet mee – en hij stelt
In Zeno’s geest: mijn vrouw
Mijn vrouw, het allermeest.

En het komt als een dief
In de nacht, ’t vuur dat
Lukraak een bewoner ombrengt,
Zoals soms een verward
Persoon, onverwacht,
De stad zijn vrijheid
Een mes in de rug steekt.
Een onverschillige God
Het verglijden der tijd,
Donker en stil zoals
De stroom van de Potmarge,
Terwijl de meidoorn bloeit.

Mei is het nu en
Achter de Grote Kerk
En Bij de Put waar
Een land in een aloude angst
Voor de Ander en het Andere
Ooit een zondebok vond,
Wijst een burgemeester
Bij het herdenken van
De doden met recht op
De dreigende echo
Van een duister verleden,
De boreale winden.

Tegenover Tûmba zing ik,
Onder de reuzen
Met de blauwe gitarist:
Boven alles ben ik
Europeaan. Ik zing
Naast de Daphnes, de Griek
En d’ Antilliaan,
Ook voor Kick Out Zwarte Piet,
Ik speel jullie in ’t spoor
Van Prince Purple Rain,
Purple Rain en verfoei
Elke nationalist.

Gelijk met de duiker,
Het meisje en de hond
Maakt vadertje Ferd
Voorbij het station
Zijn eigen reuzenstappen,
Bebabbelt, al
Bellend, zijn deals voor
De stad en regelt
In het voorbijgaan – Old Boys
Network never dies
Zichzelf een zetel
Als opzichter in de Kamer.

Soms bij een stampen en
Wieken van handen en
Voeten klapt het dak van
De hemel over de aarde
Om wat zijn zin niet
Kreeg. Ai, zie onder
De lampen het schaduw-
Gevecht van klerken
En ambtenaren, stuk voor stuk
Druk op het slagveld van
Plot, eer en macht naar
Oud stadhouderlijk beschik.

Wie was zo gek en neemt
Als bestuurder plaats –
Op het toppunt van een crisis –
Aan het roer van een stad,
Gekweld en gesard door
Een teveel aan dope,
Misdaad en werkloosheid?
Wie was zo gek en
Steekt de draak met het oude
Galgenlapperswoord:
Ut is nix, wurdt nix en
Ut sal nooit wat wurde oek?

 

 

Vertaling: Elske Schotanus