Nij Hiddum & de handel ad infinitum

Op tekentafels reiken turbines, hoger dan Babel,
naar de Nij Hiddumer hemel. Hier wordt het land
een streek geleverd waar de horizon, weids en open
als de oorsprong van de wereld, niet van terug heeft.

In de polders, bezaaid met vlees en veren, leeft
de blauwe hond van Cornwerd zijn begeerten uit
als was hij de bode van Hades’ rijk. Straf fluit
de wind wiewinterwiewinter over de lege zeedijk.

O, manna, manna, stik de moord, brult Salverda,
ik zag de zon, een bloedvogel in de suizende ruimte
vol gehaktmolens. Wat een leven! Zeg mij niet dat
het geld hier niet even zwart is als de kraaien boven

de velden of de ziel van de heren windboeren?
Zie ze stiefelen over de kop van de dijk, wijzend
met golfstokken op hun windhandel ad infinitum.
Luister, wie zingt daar The Wind Cries Mary?

Later bij de Kornwerdervaart sloeg ik het land gade,
een droom, in bloei als eens de overhangende
tuinen van Babylon. De slenken van eeuwen
spiegelden een kleine,19e-eeuwse spinnenkopdame.

Dragen de hoog in het land oprijzende turbines
op een dag niet eenzelfde pracht als de molens van
Monet, op doek gezet bij Zaandam? Straf fluit
de wind wiewinterwiewinter over de lege zeedijk.

 

 

Vertaling: Elske Schotanus