Au Musée

Modder in de mondholte van tijd
wordt het woord
bij de stem van de zee onzegbaar,
deze winternacht,
de ruimte een orkestbak,
dodecafonisch
onder het spijkerschrift van
sterren in het duister
boven terp en kust.

Iemand struikelde langs de zeedijk,
een schim verdwijnend
in tha herta fon tha winde,
ik hoorde het slurpen van het slik,
dacht in het café
te Moddergat aan mijn taal,
het Fries op weg
naar het Musée,
het stee Persephoné.

Via Quatrebras reed ik
door slapende en dode dorpen
de Wouden in, een stormwind
beukte de bomen;
in de brekende takken voer
een zee aan stemmen,
een zee aan drenkelingen,
zie, de zee stampend wreed
onder Lampedusa.

 

 

Vertaling : Elske Schotanus